Tijgeroog
Tijgeroog heeft die golvende, verschuivende glans doordat het letterlijk uit vezels bestaat. Het is een steen die ooit iets anders was en onderweg volledig van materiaal is veranderd.
Het begon als crocidoliet, een blauw vezelig mineraal. Daar sijpelde kiezelzuurhoudend water doorheen, dat de vezels molecuul voor molecuul verving door kwarts — maar wél met behoud van de vezelstructuur. Zoiets heet een pseudomorfose: nieuwe stof, oude vorm. Het ijzer uit het oorspronkelijke mineraal oxideerde daarbij tot goudbruin. Blijft dat oxideren uit, dan houd je havikoog: dezelfde steen, maar blauwgrijs.
Doordat al die vezels evenwijdig liggen, weerkaatsen ze het licht in één lijn. Kantel je de steen, dan schuift die lichtband mee — het kattenoogeffect, in de vakliteratuur chatoyantie genoemd. Hoe strakker de vezels, hoe scherper de band.
Bijna al het tijgeroog ter wereld komt uit één gebied: de Noord-Kaap in Zuid-Afrika. Het is hard (7) en prima geschikt om te dragen. Ter geruststelling: het oorspronkelijke crocidoliet is een asbestvorm, maar in tijgeroog is die volledig door kwarts vervangen — er zijn geen vrije vezels meer, en het materiaal is veilig te hanteren.
Wist je dat? De omzetting van blauw crocidoliet naar goudbruin tijgeroog vond plaats in gesteente van ruim twee miljard jaar oud — uit een tijd waarin de aarde net begon te oxideren doordat de eerste zuurstofproducerende bacteriën op gang kwamen. De kleur van je steen is in zekere zin een neveneffect van de uitvinding van de fotosynthese.