Agaat

Agaat is gebandeerde chalcedoon: kwarts in kristallen die zo klein zijn dat je ze niet los ziet. Wat je wél ziet zijn de banden — laag na laag afgezet, elk met een eigen kleur.

Die banden ontstaan in een holte in vulkanisch gesteente. Kiezelzuurhoudend water sijpelt naar binnen en zet een dun laagje af tegen de wand. Verandert de samenstelling van het water — meer ijzer, minder mangaan, andere zuurgraad — dan krijgt het volgende laagje een andere tint. Dat herhaalt zich duizenden keren, van buiten naar binnen, tot de holte vol is of het water opdroogt. De banden lees je dus als jaarringen, alleen dan zonder vaste tijdseenheid.

Eerlijk over kleur: felblauwe, knalroze of turquoise agaatschijven zijn geverfd. Dat is in deze branche volkomen gangbaar en geen misleiding op zich — chalcedoon is licht poreus en neemt kleurstof goed op — maar je moet het weten. Natuurlijke agaat is aardetintig: wit, grijs, roodbruin, honinggeel, soms zacht blauwgrijs. Staat er niets over kleuring bij, vraag ernaar.

Agaat is hard (7) en heeft geen splijtvlakken, waardoor het slecht breekt en goed te bewerken is. Vandaar dat het al duizenden jaren gebruikt wordt voor kommen, messenheften en vijzels — een agaatvijzel is nog steeds standaarduitrusting in laboratoria die monsters moeten fijnmalen zonder verontreiniging.

Wist je dat? De steen is vernoemd naar een rivier. Plinius de Oudere schreef in de eerste eeuw dat agaat voor het eerst gevonden werd bij de Achates op Sicilië — de huidige Dirillo. Bijna tweeduizend jaar later draagt de steen die naam nog steeds.

Skip to results list

Active filters:

62 items
Column grid
Column grid

Filter

Active filters: