Jaspis
Jaspis is ondoorzichtige chalcedoon met veel insluitsels: klei, ijzeroxide, mangaan. Juist die onzuiverheden maken de tekening — geen twee stukken zijn gelijk.
Waar agaat doorschijnend is en in banden groeit, is jaspis dicht en gevlekt. Het ontstaat wanneer kiezelzuur neerslaat in sediment of vulkanische as die al vol zat met andere deeltjes. Die deeltjes worden ingesloten en bepalen kleur en patroon: ijzeroxide geeft rood en geel, mangaan paars tot zwart, kleimineralen de aardetinten.
De handelsnamen zijn eindeloos en vaak beschrijvend in plaats van wetenschappelijk. Landschapsjaspis heeft een tekening die op een horizon lijkt, dalmatiërjaspis zwarte stippen (dat is overigens strikt genomen geen jaspis), oceaanjaspis ronde vlekken van uitgekristalliseerde bolletjes. Reken er dus op dat de naam iets zegt over het uiterlijk en weinig over de herkomst.
Jaspis is hard (7), ondoorzichtig en zonder splijtvlakken — kortom, moeilijk kapot te krijgen en uitstekend geschikt om te dragen of dagelijks vast te houden. In de kristaltraditie geldt het van oudsher als de nuchtere, aardende steen.
Wist je dat? De rode jaspis waar veel sieraden van gemaakt worden, dankt zijn kleur aan hetzelfde ijzeroxide dat Mars rood maakt. Beide zijn het gevolg van ijzer dat in aanwezigheid van zuurstof of water is geoxideerd — op aarde tot een steen die je in je hand houdt, op Mars tot een halve planeet stof.